Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD1384

Datum uitspraak2008-06-06
Datum gepubliceerd2008-06-06
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers08/01537
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bopz; verlening van machtiging tot voortgezet verblijf terwijl de betrokkene met voorwaardelijk ontslag buiten ziekenhuis verblijft, niet-toelaatbare “paraplumachtiging”; verwijzingsinstructie.


Conclusie anoniem

08/01537 Mr. F.F. Langemeijer Parket, 29 april 2008 Conclusie inzake: [Verzoeker] tegen Officier van Justitie te Alkmaar In deze zaak wordt in cassatie opgekomen tegen een machtiging tot voortgezet verblijf ten aanzien van een patiënt die feitelijk niet in het psychiatrisch ziekenhuis verblijft. 1. De feiten en het procesverloop 1.1. De officier van justitie in het arrondissement Alkmaar heeft op 18 januari 2008 de rechtbank aldaar verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis. Bij het verzoekschrift zijn een geneeskundige verklaring en een afschrift van het behandelingsplan overgelegd. 1.2. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 1 februari 2008, waarbij betrokkene en zijn advocaat en een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige aanwezig waren. Namens betrokkene is aangevoerd dat geen machtiging tot voortgezet verblijf kan worden verleend omdat betrokkene, die voorwaardelijk uit het ziekenhuis was ontslagen, niet meer in het ziekenhuis verbleef. Volgens betrokkene zou de officier van justitie hoogstens opnieuw een voorlopige machtiging kunnen aanvragen. 1.3. Bij beschikking van diezelfde dag heeft de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf verleend met een geldigheidsduur van zes maanden, tot 1 augustus 2008. Na te hebben overwogen dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens die hem gevaar doet veroorzaken, overwoog de rechtbank: "Het gevaar kan niet door tussenkomst van personen en instellingen buiten het ziekenhuis worden afgewend, maar zou wel door het stellen en naleven van voorwaarden kunnen worden afgewend. Uit de beschikbare gegevens en de verklaringen ter zitting blijkt de rechtbank dat betrokkene zich op dit moment aan de voorwaarden houdt en dat het op die basis goed gaat met betrokkene. Betrokkene heeft echter uitdrukkelijk aangegeven de aan hem te stellen voorwaarden niet langer te zullen naleven. Hij heeft ook daarom het behandelplan niet ondertekend. Onder deze omstandigheden is een voorwaardelijke rechterlijke machtiging geen alternatief voor opname van betrokkene. 1.4. Naar aanleiding van het verweer overwoog de rechtbank: "Dit verweer wordt door de rechtbank verworpen. Betrokkene verblijft formeel in een psychiatrisch ziekenhuis, met een rechterlijke machtiging, namelijk een voorlopige machtiging. Daarom is verlenging van die machtiging op zijn plaats, ook al verblijft betrokkene met ontslag onder voorwaarden thuis. Hierin ziet de rechtbank echter wel aanleiding om de duur van de machtiging aan te passen." 1.5. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd. 2. Bespreking van het cassatiemiddel 2.1. Onderdeel 1 van het middel klaagt(1) dat de bestreden beslissing rechtens onjuist is omdat een machtiging tot voortgezet verblijf niet mogelijk is, nu betrokkene krachtens een verleend voorwaardelijk ontslag buiten een psychiatrisch ziekenhuis verblijft. Subsidiair is een - niet nader omschreven - motiveringsklacht toegevoegd. 2.2. Een machtiging tot voortgezet verblijf kan worden verleend ten aanzien van een patiënt die ingevolge een eerdere rechterlijke machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft (zie art. 15, 16 en 17 Wet Bopz). De Wet Bopz, in 1992 tot stand gekomen op basis van een wetsvoorstel dat uit 1970 dateert, ging uit van een situatie waarbij langdurige opnamen in een psychiatrisch ziekenhuis gangbare praktijk waren in de geestelijke gezondheidszorg. De wet bood - en biedt nog - de mogelijkheid dat de geneesheer-directeur tijdelijk verlof of een voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis verleent, waarna uiteindelijk een (onvoorwaardelijk) ontslag uit het ziekenhuis kan volgen. 2.3. In de geestelijke gezondheidszorg heeft zich een ontwikkeling voorgedaan die meebracht dat langdurige opnamen zo mogelijk werden ingekort, waartegenover een langdurige ambulante behandeling kwam te staan: de patiënt verbleef op grond van een voorwaardelijk ontslag feitelijk buiten het ziekenhuis en werd vanuit het ziekenhuis begeleid. Deze ambulante behandeling kon dikwijls niet met succes worden afgerond binnen de geldigheidsduur van de lopende machtiging. Hierdoor ontstond behoefte aan de mogelijkheid van een machtiging tot voortgezet verblijf ten aanzien van patiënten die feitelijk buiten het ziekenhuis verbleven. De rechtspraak heeft aan deze ontwikkeling ruimte willen bieden door - vanuit de redenering dat de betrokkene formeel nog in het psychiatrisch ziekenhuis `verblijft' zolang hij daaruit niet onvoorwaardelijk is ontslagen - een machtiging tot voortgezet verblijf toe te staan, ook al verbleef de betrokkene in feite buiten het psychiatrisch ziekenhuis krachtens een hem verleend voorwaardelijk ontslag(2). 2.4. Met ingang van 1 januari 2004 is hierin verandering gekomen door de inwerkingtreding van de wet van 13 juli 2002, Stb. 431, houdende invoering van de voorwaardelijke machtiging. De wetgever heeft met de invoering van de voorwaardelijke machtiging, kort gezegd, een einde willen maken aan de buitenwettelijke praktijk van de `paraplumachtigingen'. Thans kan de rechter desverzocht een voorwaardelijke machtiging verlenen ten aanzien van patiënten die buiten een psychiatrisch ziekenhuis verblijven (art. 14a Wet Bopz). In de aangehaalde beschikking van de Hoge Raad van 11 november 2005 is beslist dat niet kan worden aanvaard dat de praktijk van de paraplumachtiging zou kunnen worden voortgezet in gevallen waarin de vereiste instemming en bereidverklaring van de patiënt niet zou kunnen worden verkregen. De door de regering gewenste verbetering van de rechtspositie van de patiënten zou anders nagenoeg ongedaan worden gemaakt(3). 2.5. Dit heeft tot gevolg dat, wanneer de geldigheidsduur van de lopende rechterlijke machtiging verstrijkt en niet aan de wettelijke vereisten voor een voorwaardelijke machtiging is of kan worden voldaan, een keuze zal moeten worden gemaakt: hetzij afzien van onvrijwillige behandeling, hetzij intrekking door de geneesheer-directeur van het voorwaardelijk verleende ontslag uit het ziekenhuis (art. 47 Wet Bopz), gevolgd door een heropneming in het psychiatrisch ziekenhuis en een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf aldaar, indien daartoe gronden zijn. Omdat dit de behandelaars dikwijls voor een dilemma stelt, is het nuttig te weten dat de mogelijkheden voor verlenen van een voorwaardelijke machtiging binnenkort zullen worden verruimd(4). 2.6. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat betrokkene krachtens een hem verleend voorwaardelijk ontslag buiten het ziekenhuis verblijft. De bestreden machtiging heeft dan ook het karakter van een paraplumachtiging. Uit het voorgaande volgt dat om die reden geen machtiging tot voortgezet verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis kon worden verleend. De rechtbank heeft dit miskend, zodat de rechtsklacht slaagt en de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. Mijns inziens kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door het inleidend verzoek van de officier van justitie af te wijzen(5). 2.7. Onderdeel II behoeft na het slagen van onderdeel I geen bespreking meer. Ten overvloede ga ik kort daarop in. Het middelonderdeel klaagt dat de rechtbank de officier van justitie in zijn verzoek niet-ontvankelijk had behoren te verklaren, omdat de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging was verstreken voordat de officier van justitie het inleidend verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf bij de rechtbank indiende. 2.8. De wettelijke regeling gaat ervan uit dat een machtiging tot voortgezet verblijf door de officier van justitie wordt verzocht in de zesde of vijfde week voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende machtiging (art. 17 lid 1 Wet Bopz). De rechtbank beslist binnen vier weken op het verzoek (zie art. 17 lid 2 Wet Bopz), zodat kort voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging bekend is of de onvrijwillige opneming in het psychiatrisch ziekenhuis zal kunnen voortduren. De wetgever heeft geen sanctie gesteld op een overschrijding van de termijn in het eerste lid van artikel 17. Wanneer de officier van justitie het verzoek later indient, staat daarop dus niet de sanctie van niet-ontvankelijkheid(6). Tenzij voortzetting van het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis als vrijwillig patiënt gewenst is en de betrokkene blijk geeft van de nodige bereidheid daartoe, verleent de geneesheer-directeur (onvoorwaardelijk) ontslag uit het ziekenhuis zodra de geldigheidsduur van de rechterlijke machtiging is verstreken, tenzij voor het einde van de termijn een verzoek is gedaan tot het verlenen van een aansluitende rechterlijke machtiging. In het laatstgenoemde geval verleent de geneesheer-directeur onvoorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis: (i) zodra op het verzoek is beschikt en de beschikking niet strekt tot voortgezet verblijf; (ii) zodra de wettelijke termijn voor het geven van de beschikking is verstreken (art. 48 lid 1 Wet Bopz). Nadat onvoorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis is verleend, kan geen machtiging tot voortgezet verblijf in het ziekenhuis meer worden verleend. Zo nodig kan de officier van justitie opnieuw beginnen met een verzoek tot verlening van een voorlopige machtiging. Blijft de betrokken patiënt in het ziekenhuis nadat de geldigheidsduur van de eerdere rechterlijke machtiging is verstreken, dan kan volgens de jurisprudentie een machtiging tot voortgezet verblijf worden verleend, maar behoort het aantal dagen dat verstreken is tussen het einde van de eerdere machtiging en de ingangsdatum van de nieuwe machtiging tot voortgezet verblijf, in mindering te worden gebracht bij de vaststelling van de geldigheidsduur van die nieuwe machtiging(7). 2.9. Het middelonderdeel berust op het standpunt dat de geldigheidsduur van de lopende machtiging al was verstreken voordat de officier van justitie op 18 januari 2008 het inleidend verzoek indiende. Deze stelling is gebaseerd op een document dat niet tot de gedingstukken in eerste aanleg heeft behoord. Art. 419 lid 2, gelezen in verbinding met art. 426 lid 2 Rv houdt in dat de feitelijke grondslag der middelen alleen kan worden gevonden in de bestreden uitspraak en in de stukken van het geding. Om deze reden kan het tweede middelonderdeel niet slagen. 3. Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot afwijzing van het inleidende verzoek van de officier van justitie. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, 1 Onder verwijzing naar HR 11 november 2005, NJ 2006, 288 m.nt. J. Legemaate (BJ 2006, 1 m.nt. W. Dijkers) en HR 29 april 2005, NJ 2006, 287 (BJ 2005, 15 m.nt. T.P. Widdershoven). 2 De zgn. `paraplumachtiging'. Zie hierover nader: HR 11 december 1998, NJ 1999, 270; HR 6 oktober 2000, NJ 2000, 716. 3 NJ 2006, 288 m.nt. J. Legemaate, reeds aangehaald, rov. 3.2.6. 4 Wet van 25 februari 2008, Stb. 80, tot wijziging van de Wet Bopz (voorwaardelijke machtiging en dwangbehandeling). 5 De rechtbank heeft reeds onderzocht of een voorwaardelijke machtiging kan worden verleend en die vraag ontkennend beantwoord. Terugwijzing naar de rechtbank, teneinde via toepassing van art. 8a Wet Bopz een verzoek van de OvJ uit te lokken tot het verlenen van een voorlopige machtiging is een alternatieve optie. 6 Vgl. HR 19 januari 1996, NJ 1996, 604 m.nt. JdB. 7 HR 23 januari 1996, NJ 1996, 618 m.nt. JdB; HR 6 oktober 2006, BJ 2006, 47 m.nt. WD; HR 17 november 2006, BJ 2007, 1 m.nt. WD.


Uitspraak

6 juni 2008 Eerste Kamer Nr. 08/01537 RM/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. G.E.M. Later, t e g e n DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ALKMAAR, VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie. 1. Het geding in feitelijke instantie De officier van justitie in het arrondissement Alkmaar heeft bij een op 18 januari 2008 ter griffie van de rechtbank aldaar ingekomen verzoekschrift verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. Ter zitting van de rechtbank van 1 februari 2008 zijn betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige gehoord. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de machtiging verleend voor de duur van zes maanden. De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot afwijzing van het inleidende verzoek van de officier van justitie. 3. Beoordeling van het middel 3.1 Betrokkene lijdt aan schizofrenie in combinatie met middelengebruik en was met een voorlopige machtiging opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis. Daaruit is hij - op de voet van art. 47 lid 1 Wet Bopz - met ingang van 23 oktober 2007 voorwaardelijk ontslagen. Op verzoek van de officier van justitie heeft de rechtbank in de bestreden beschikking machtiging verleend tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis, ingaande 1 februari 2008 tot 1 augustus 2008. Zij was van oordeel dat was voldaan aan de wettelijke vereisten voor de verlening van die machtiging. Hieraan voegde de rechtbank toe: "Het gevaar kan niet door tussenkomst van personen en instellingen buiten het ziekenhuis worden afgewend, maar zou wel door het stellen en naleven van voorwaarden kunnen worden afgewend. Uit de beschikbare gegevens en de verklaringen ter zitting blijkt de rechtbank dat betrokkene zich op dit moment aan de voorwaarden houdt en dat het op die basis goed gaat met betrokkene. Betrokkene heeft echter uitdrukkelijk aangegeven de aan hem te stellen voorwaarden niet langer te zullen naleven. Hij heeft ook daarom het behandelplan niet ondertekend. Onder deze omstandigheden is een voorwaardelijke rechterlijke machtiging geen alter-natief voor opname van betrokkene." 3.2 Het verweer van betrokkene dat hij al enkele maanden met voorwaarden thuis verbleef en dat daarom niet een machtiging tot voortgezet verblijf maar een voorlopige machtiging had moeten worden verzocht, is door de rechtbank verworpen op de grond, kort gezegd, dat betrokkene "formeel" met een rechterlijke machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis verbleef en daarom verlenging van die machtiging op zijn plaats is, ook al verbleef betrokkene met ontslag onder voorwaarden thuis. 3.3 De hiertegen gerichte rechtsklacht van onderdeel I van het middel slaagt. Nu betrokkene als gevolg van zijn voorwaardelijk ontslag vanaf 23 oktober 2007 thuis was en ten tijde van de bestreden beslissing niet (meer) in het psychiatrisch ziekenhuis verbleef, was niet voldaan aan het voor de verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf gestelde vereiste dat de betrokkene ingevolge een voorlopige machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft. Het inleidende verzoek was dus niet voor toewijzing vatbaar. De door de rechtbank verleende machtiging komt neer op een niet toelaatbare "paraplumachtiging". 3.4 Het vorenstaande betekent dat het middel voor het overige geen behandeling behoeft. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene heeft gezegd de hem te stellen voorwaarden niet langer te zullen naleven en dat een voorwaardelijke machtiging daarom geen alternatief voor opname was, lag het voor de hand dat zij op de voet van art. 17 lid 2 in verbinding met art. 8a Wet Bopz de officier van justitie zou hebben kenbaar gemaakt dat een andere maatregel, in dit geval: een voorlopige machtiging, in de gegeven omstandigheden passender was. Tot dit doel zal de zaak worden verwezen. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van de rechtbank Alkmaar van 1 februari 2008; verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 6 juni 2008.